Mama is de hele dag in de weer geweest (schoenen kopen, kleren kopen) en komt met Rosalieke terug van de bibliotheek. Mama stort neer in een stoel.
R: Mama wil jij de boekjes voor mij pakken?
M: Nee, Rosalieke. Ik heb de hele dag nog niet stil gezeten. Ik kan niet meer lopen.
R: Ooh, moet je dan nu in een rolstoel?